De auteur (Roeselare, °1960) van deze blog is musicus (piano, orgel, koor), musicoloog (KULeuven, PhD 2014) en classicus (KULeuven, MA 1983, spec. Grieks, kandidaat PhD 2016 - ).
Beroepshalve geeft hij les (Latijn, Grieks, esthetica) aan het Klein Seminarie te Roeselare.
Naast freelancer als klavierbegeleider en muziekwetenschapper is hij lid van de Adriaen Willaert Stichting / Foundation (Roeselare) en van de Guido Gezellekring.

Op deze blog verken ik bij voorkeur domeinen van 'het onbesliste', i.h.b. deze waar ethiek & esthetiek, verhaal & wetenschap,
retoriek & filosofie elkaar kruisen.
Meer duiding hierover vindt de lezer op de introductiepagina van elk label.

wetenschappelijke bijdragen:

academia.edu




woensdag 21 januari 2015

John Cage, 4'33". Een Nederlandstalige studie





In het laatste jaar van mijn opleiding musicologie aan de KU Leuven had ik het geluk te participeren in een reeks colleges rond het veelzijdige oeuvre van de Amerikaanse avant-garde componist John Cage (1912-1992). Teneinde diens uiteenlopende compositietechnieken en hun achterliggende filosofie te leren kennen was er niet alleen de onbetwiste expertise van professor Mark Delaere, die deze vroegochtendlijke sessies leidde, en van de occasionele gastspreker die hij daarop uitnodigde. Elke deelnemer kreeg ook de opdracht vanuit een specifieke compositie een van Cages muzikale praktijken toe te lichten, enerzijds in een gedocumenteerde spreekbeurt, anderzijds in een korte scriptie.
Veeleer esthetisch dan analytisch georiënteerd, legde ik meteen beslag op het epoche-makende 4'33" (1952). Mogelijk lieten mijn heel wat jongere medestudenten het werk bewust links liggen, omdat het op louter muzikaal vlak niet de minste uitdaging vormt en de vakliteratuur terzake niet te overzien is. Voor de leraar beeld- en muziekesthetica die ik toen al was, had een grondige studie van 4'33" daartegenover wel een zinvol perspectief. De conceptie ervan is immers ook voor de muzikaal dilettante scholier afdoende bevattelijk om de ideologie van het naoorlogse modernisme (als onderscheiden van de vooroorlogse moderniteit) te helpen begrijpen. 

Welnu: even melden dat ik het resultaat van mijn 'studie' nogmaals heb nagekeken en goed bevonden voor publicatie op academia.edu. Je vindt het onder de titel John Cage, 4'33": een crux in de 20ste-eeuwse muziekgeschiedenis. Nader beschouwd zijn er vier redenen waarom ik het aan het internet toevertrouw.

1. Het resultaat van mijn exploratie een 'studie' noemen, is wat pretentieus: ik had niets toe te voegen aan wat al over dit zgn. 'silent piece'  geschreven en gezegd is. De waarde van mijn bijdrage ligt allereerst in het feit dat zij in het Nederlands gesteld is. Van 2006, toen ik mijn werkstuk indiende, tot op vandaag zijn op het internet nog steeds hoofdzakelijk Engelstalige commentaren te vinden, met The Sounds of Silence (2002) Larry J.  Solomon als meest exhaustieve. (Het betrof destijds overigens mijn belangrijkste e-source. Verder is er wel een Nederlands(talig)e analyse van de timing door Bram Van Camp.)

2. Het samenvoegen van de scriptie en de documentatie van de spreekbeurt geeft m.i. een vrij volledig beeld van de ontstaansgeschiedenis, realisatie en compositietechnische context. De lezer zal er geen informatie vinden over de uitvoeringsmodaliteit, Nachleben en receptiegeschiedenis van 4'33". Daarvoor en voor illustraties is hij/zij op Solomon aangewezen.

3. Cages 4'33" wordt vanuit niet-muzikale hoek vaak misbegrepen. Ook in handboeken. Zo wordt het vaak ten onrechte als een (school)voorbeeld van conceptualisme opgevoerd. Het vertoog waarin mijn tekst opgesteld is, houdt het midden tussen het muziekwetenschappelijke en het cultuurhistorische. Hopelijk weet ik hiermee de tussenschotten, die muziek van andere kunstvormen scheiden, op zijn minst transparanter te maken. Dit kan op zijn beurt bijdragen tot een meer gefundeerde benadering van het werk in, bijvoorbeeld, de lessen esthetica. 

4. Dit icon van muzikaal iconoclasme kan ten slotte niet onvermeld blijven op een blog die de domeinen van het onbesliste als focus heeft. Desondanks weiger ik deze delicate materie te behandelen met de populair-wetenschappelijke (v)luchtigheid die dit soort van blogs nu eenmaal eigen is. Met het woord 'delicaat' alludeer ik op neiging om 4'33" en het werk van Cage & geestesgenoten in het algemeen dezelfde vrijblijvend-ironische attitudes toe te dichten die het huidige postmodernisme kenmerken. Als was het maar wat spielereien. Een van de belangrijke lessen die ik destijds uit genoemde colleges trok, was doorheen het experimentele spel van het naoorlogse modernisme de provocerende ernst te zien, de roeping a.h.w. om de grenzen van het conventionele te doorbreken en te verlaten, op zoek naar ongeziene en 'ongehoorde' sensaties. Vooral de connectie (en schatplichtigheid) van Cages concept aan dat van Robert Rauschenbergs White Painting (1951) maakt duidelijk hoezeer beide soul mates aangezet hebben tot het nadenken over de essentie van resp. auditieve en visuele perceptie.

zondag 11 januari 2015

Jef Cassiers' Xenon: het stripverhaal dat niet mocht zijn

E-memento voor Guido Malisse, mijn broer
(Roeselare, 1957 - Gent, 1992)


Al na de eerste week kon mijn wintervakantie niet meer stuk. Met dank aan de canvasreeks Alleen Elvis blijft bestaan. Klaar voor een trip naar Budapest, konden we nog net de aflevering zien rond en met Guy Mortier, gewezen hoofdredacteur van Humo (19-12-2014). Bij onze thuiskomst was het de beurt aan Guy Cassiers, artistiek directeur van het Antwerpse Toneelhuis (26-12-2014). Tussen beide afleveringen in viel kerstdag: ooit de verjaardag van mijn broer Guido, nu zijn herdenkingsdag. De twee Guy's voerden mij terug naar de tijd dat mijn naamverwante broer nog leefde en potten brak als graficus en decorontwerper. Toen hij stierf, was de notie 'www' pas twee jaar oud. Met dit 'e-memento' wens ik hem alsnog een tweede leven op het internet.

Zowat alles aan Guy Mortiers vertoog rond 'zijn' weekblad zorgde ervoor, dat niet alleen mijn echtgenote maar ook mijn broer naar Boedapest meereisde. Dankzij Guido was den'umo, naast de VPRO, een van de vensters die mijn puberale kijk op de wereld verruimd hebben. Ik kwam al vaker tot de beklemmende vaststelling dat mijn haat-liefdeverhouding t.o.v. het blad in een quasi pathologisch verband staat met de complexe en naderhand getroebleerde relatie tussen hem en mij. Een proces dat beslist een analyse verdient in het licht van onze immedi(t)aties-rubriek. Maar niet in deze blogpost. Hier wil ik het enkel hebben over Guido's artistieke verdiensten. Door de jaren gekortwiekt, fladderen zijn naam & faam vandaag nog hooguit rond in de herinnering van enkele dierbaren. Welnu, hier mogen zij een eerste keer de vleugels uitslaan in cyber-space. Het begin, misschien, van een langere vlucht. 



Guido Malisse in 1990. Met excuses aan fotograaf Stefaan Beel voor de minderwaardige scan.

Guido werd geboren in Roeselare, zesde in rij en drie jaar ouder. (Ik was de jongste.)

maandag 8 december 2014

Watch out… Tibullus is screeching!

... Leterme opening our eyes and ears


1. ‘Calligraphic hermeneutics’: a layman’s attempt
2. Yves Leterme, Litterae (2014)
3. The musician’s touch in gestural writing



1. ‘Calligraphic hermeneutics’: a layman’s attempt
After displaying the card, I allow myself five seconds for a first impression. I see: contrast. From top right to bottom left: foreground, order, capitals, print-like typeface. Colouring: likewise. A struggle for supremacy between ominous black and repulsive brown against an ashen and salty background. General impression: This is bad news! From seeing to watching: must be possible within 10 seconds. I am looking at… two distinct letter worlds. Visually dominant, the black field forces me to start from the upper-right corner. Opposite to the natural reading order, that is. Vertically downwards, an arrow directs my eye along different kinds of fonts. I eventually arrive at what might be a word, in a dark brown colour. In one and the same font this time. For sure, this letter group wants to make something clear! Whatever it may be, the message certainly exceeds the 21” x 15” margins. 

dinsdag 11 november 2014

A reflection on the (un)reliability of music aesthetical judgement


M.-A. TURNAGE, Passchendaele (creation) 
Bruges 14/10, Birmingham 2/11


1. Mark-Anthony Turnage, Passchendaele (2013)
2. The semantic indeterminacy of abstract music
3. The aesthetic appreciation of premieres
4. Precognition and perception


Paul NASH, The Ypres Salient at Night (1918)

On the 14th of October 2014, Concertgebouw Brugge (Bruges) held its opening concert of GoneWest (the provincial commemoration of the Great War) with an all-English orchestral program. Under the baton of Nicholas Collon, Philharmonia Orchestra London played Edward Elgar’s Cello Concerto, Ralph Vaughan Williams’s A Pastoral Symphony and the world creation of the commission work Passchendaele by Mark-Anthony Turnage. On the 2nd of November the latter work enjoyed its UK premiere in the Birmingham Symphony Hall. On this occasion Ben Gernon directed the CBSO Youth Orchestra, which is celebrating its 10 anniversary this year.[1] Not unimportant for my exposition is that this ensemble and another youth orchestra from California are co-commissioners of the work, together with Bruges.[2] In this blog post I will focus on the Bruges premiere. It’s not a review that we have in mind, or at least not a ‘re-view’ in the traditional sense. Rather than an evaluation (objective value judgement) of the composition and its performance, I will take my individual interpretation and appreciation (subjective value judgement) as a starting-point for a reflection on the aesthetical experience of premieres, its prospective stage in particular. Therefore a difference has to be made between the intrinsic qualities of the piece, the way it appealed to me and the way the audience reacted, once more, according to my assessment. This explains at the same time why I waited to put it online until after the Birmingham concert: I was hoping for a review with which to confront my opinion.

zaterdag 18 oktober 2014

Tibullus spreekt krasse taal

Leterme legt ons oog te luisteren…


1. Een oefening in ‘kalligrafische hermeneutiek’
2. Yves Leterme, Litterae (2014)
3. Gestural writing als quasi muzikaal gebaar


1. Een oefening in ‘kalligrafische hermeneutiek’ 
Ik positioneer de kunstkaart en geef me vijf seconden voor een eerste impressie. Ik zie: contrast. Van rechtsboven naar linksonder: voorgrond, orde, drukletters, kapitalen. Van linksboven naar rechtsonder: achtergrond, chaos, gekras en kraaiepoten. Coloriet: idem. Een gevecht om de suprematie tussen onzalig zwart en een bruin van de onverkwikkelijke soort, dit alles tegen een kille achtergrond van wit-grijstinten.  Algemene indruk? Hier is iets niet pluis. Bad news! 
Van zien naar kijken: moet kunnen in 10 seconden. Ik kijk aan tegen…

vrijdag 10 oktober 2014

Lamenti voor de Groote Oorlog (di. 14 oktober, Concertgebouw Brugge)

Elgar, Vaughan Williams, Turnage… maar geen Bridge


1. Inleiding
2. Elgar & Vaughan Williams!
3. Great War, Great composers
4. Turnage… geen Bridge
5. Lamenti na een grote oorlog


1. Inleiding 

Ik zie erg uit naar het evenement waarmee Concertgebouw Brugge zijn herdenkingsproject WOI opstart. Dinsdag aanstaande brengt Philharmonia Orchestra London o.l.v. Nicholas Collon het Cello Concerto in E minor (Op. 85, 1919) van Edward Elgar en A Pastoral Symphony (Symphony #3, 1921/1922) van Ralph Vaughan Williams. Daarnaast is er de wereldcreatie van Passchendaele (2013), een kort orkestwerk van Mark-Anthony Turnage, gecomponeerd in opdracht van het Concertgebouw. Over het laatste werk valt nog niet veel te zeggen. Ik wacht benieuwd af. Een post met mijn impressies volgt. Alvorens de componist ervan te situeren, wil ik vooral enkele muziekhistorische kanttekeningen maken bij twee zinnetjes uit de aankondiging in de programmagids: “Edward Elgar en Ralph Vaughan Williams overleefden de oorlog en dat liet zijn sporen na in hun latere composities. (…) In beide werken weerklinken de desillusie en wanhoop van de oorlogsstrijd.” Misschien verrijkt een en ander de luisterervaring van deze meer gedateerde werken, d.i. als hoogstpersoonlijke getuigenissen van hun tijd.
Elgar en Vaughan Williams staan volkomen terecht op één affiche, alleen al daar zij muziekhistorisch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Onlosmakelijk omdat ze in hun verwantschap én individualiteit de boegbeelden zijn van de revival die de Britse kunstmuziek tussen pakweg 1870 en het interbellum doorgemaakt heeft. Deze revival staat bekend onder de ietwat verwarrende naam English Musical Renaissance. We zetten enkele relevante gelijkenissen en verschillen tussen beide figuren op een rijtje.